Inhoudstabel:

  • Voorwoord 11
  • Inleiding 13
  • Hoofdstuk 1. Een kort overzicht van het denken over dieren in de westerse geschiedenis 15
  • Afdeling 1. Vooraf 15
  • I. Denken over en samenleven met dieren 15
  • II. Onze relaties met dieren 16
  • Afdeling 2. Een korte geschiedenis van het denken over dieren 18
  • I. Antieke oudheid – late middeleeuwen: de ladder van de natuur 18
  • II. Van de veertiende tot de negentiende eeuw: de geleidelijke onttroning van de mens 23
  • III. Circa midden negentiende eeuw tot circa 1970: dieren komen onder druk 34
  • IV. Vanaf circa 1970: naar rechten voor dieren? 37
  • V. Besluit 42
  • Afdeling 3. Hoe kijken wij naar dieren? 43
  • Afdeling 4. Besluit 47
 
  • Hoofdstuk 2. De morele status van het dier 49
  • Afdeling 1. Inleiding 49
  • Afdeling 2. Wat is morele status? 52
  • Afdeling 3. Cognitieve capaciteiten als criteria voor morele status? 53
  • I. Algemeen 53
  • II. Kantianisme 54
  • III. Sociale contracttheorie 58
  • IV. Is onze ethiek onherroepelijk medeplichtig aan de degradatie van dieren? 59
  • V. Sommige mensen voldoen zelf niet aan het ideaal 61
  • VI. Sommige dieren voldoen misschien ook aan het ideaal 65
  • VII. Waarom is doordacht moreel kunnen handelen een voorwaarde voor morele status? 71
  • Afdeling 4. Belangen als criterium voor morele status? 73
  • I. Belangen 73
  • II. Intenties die gefrustreerd kunnen worden 74
  • III. Lijden 77
  • IV. Leven 82
  • Afdeling 5. Morele rechten en mogelijke juridische implicaties 83
  • I. Enkel mensen hebben morele status 84
  • II. Dieren met gevoelservaring hebben morele status, maar minder dan mensen 87
  • III. (Sommige) dieren hebben dezelfde morele status als mensen 96
  • IV. Dieren zonder gevoelswaarde hebben misschien ook morele status 107
  • Afdeling 6. Besluit 108
 
  • Hoofdstuk 3. Dier en ethiek 111
  • Afdeling 1. Inleiding 111
  • I. Algemeen 111
  • II. Filosofische problemen in de doelstelling van de leerstoel 112
  • Afdeling 2. Eerst een drietal concrete casestudies 117
  • Afdeling 3. De derde weg 124
  • Afdeling 4. Staat de derde weg (luister naar en reflecteer over de morele common sense) gelijk met willekeur? 128
 
  • Hoofdstuk 4. Dierwaardigheid en het recht: enkele observaties 137
  • Afdeling 1. Inleiding 137
  • Afdeling 2. Waardigheid en niet-menselijke dieren 139
  • I. Moreel individualisme versus de capaciteiten-benadering 140
  • II. Dierwaardigheid: een definitie 143
  • Afdeling 3. Dierwaardigheid als juridische benadering 147
  • I. Dierwaardigheid in de rechten/welzijn dichotomie 147
  • II. Juridische implicaties van dierwaardigheid 150
  • III. Meer-dan-menselijke legaliteit 153
  • Afdeling 4. Sporen van dierwaardigheid in het positieve recht 155
  • I. Intrinsieke juridische relevantie 156
  • II. Soort-specifieke belangen 160
  • III. Dierbelangen in interpretatie en handhaving 162
  • Afdeling 5. Sterktes en zwaktes van het dierwaardigheidsconcept 165
  • I. Dierwaardigheid als aanvulling op het welzijnsparadigma 165
  • II. Bezwaren tegen de dierwaardigheidsbenadering 168
  • Afdeling 6. Conclusie: van welzijn naar waardigheid? 170
 
  • Hoofdstuk 5. Het dier in het nieuwe Burgerlijke Wetboek 173
  • Afdeling 1. Inleiding 173
  • Afdeling 2. Het dier in het nieuwe goederenrecht 175
  • I. Terugblik: het dier in het oude recht 175
  • II. Welke dieren? 177
  • III. Dieren als niet-personen 178
  • IV. Dieren als quasi-voorwerpen (quasi-goederen) 180
  • A. Voorwerpen en goederen 180
  • B. De ontwikkeling van quasi-voorwerpen en quasi-goederen 181
  • V. De normatieve gevolgen van dieren als quasi-voorwerpen 184
  • A. Welke normatieve waarde van dieren als quasi-voorwerpen? 184
  • B. Enkele mogelijke gevolgen van het nieuwe statuut 186
  • VI. Kritische appreciatie van de quasi-voorwerpen 188
  • Afdeling 3. Het dier in het nieuwe familiale vermogensrecht 190
  • I. Inleiding 190
  • II. Dieren in familiale conflicten 191
  • III. Het legaat aan dieren 192
  • Afdeling 4. Het dier in het nieuwe bewijsrecht 195
  • Afdeling 5. Het dier in het ontwerp van verbintenissenrecht 196
  • I. Inleiding 196
  • II. Gemeen verbintenissenrecht 196
  • A. Algemeen 196
  • 8 Inhoud
  • B. Teruggaveplichten bij nietigheid, ontbinding en dergelijke 196
  • III. Het aansprakelijkheidsrecht 198
  • A. De aansprakelijkheid voor dieren 198
  • B. Het belang van het door een fout geschade dier 200
  • 1. De verhouding van het geschade dier tot de schadebeperkingsplicht 200
  • 2. De morele schade van het dier 201
  • Afdeling 6. Besluit 204
 
  • Hoofdstuk 6.Dieren in het intellectueel eigendomsrecht 205
  • Afdeling 1. Inleiding 205
  • Afdeling 2. Auteursrecht – dieren als rechtssubject? 211
  • I. Basisbeginselen en -begrippen auteursrecht 211
  • II. Auteursrechtelijke bescherming voor selfies? 212
  • III. Auteursrechtelijke bescherming voor dieren naar Belgisch/Europees recht? 213
  • IV. Auteursrechtelijke bescherming voor dieren in de Verenigde Staten? 214
  • V. Kritische reflectie 217
  • Afdeling 3. Merkenrecht – dieren en dierengeluiden als merkteken 218
  • I. Basisbeginselen en -begrippen merkenrecht 219
  • II. Dierengeluiden als merkteken 222
  • III. Conflicterende merken – gelijksoortige tekens; identieke/gelijksoortige waren 223
  • IV. Kritische reflectie 227
  • Afdeling 4. Octrooirecht – octrooieerbaarheid van dieren 228
  • I. Basisbeginselen en -begrippen octrooirecht 230
  • II. Uitsluitingen octrooirecht – biotechnologische uitvindingen 233
  • III. Kritische reflectie 238
  • Afdeling 5. Afsluitende opmerkingen 239
 
  • Hoofdstuk 7. Een ‘state of the art’ van de Dierenwelzijnswet 243
  • Afdeling 1. Historische inleiding: van dierenbescherming naar dierenwelzijn 243
  • Afdeling 2. Bevoegdheidsverdeling 244
  • Afdeling 3. Wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren 246
  • I. De positieve houding van het Grondwettelijk Hof tegenover dierenwelzijn 246
  • II. Doel, begripsbepalingen en toepassingsgebied 250
  • III. Het houden van dieren 251
  • A. Ethologische behoeften 251
  • B. Positieflijsten 252
  • C. Kwekerijen, dierenasielen, kermissen, dierentuinen,… 259
  • D. Verbod op het houden van pelsdieren en op het houden van dieren voor de productie van foie gras door middel van dwangvoedering 259
  • IV. Handel in dieren 261
  • V. Vervoer, invoer en doorvoer van dieren 266
  • VI. Doden van dieren 267
  • VII. Ingrepen op dieren 272
  • VIII.Dierproeven 274
  • IX. De Raad voor dierenwelzijn en verenigingen voor dierenbescherming 275
  • X. Strafbepalingen 276
  • Afdeling 4. Evaluatie en toekomstperspectieven 279
 
  • Hoofdstuk 8.Opportuniteiten en begrenzingen van het materieel strafrecht in het licht van het dier 283
  • Afdeling 1. Inleiding 283
  • Afdeling 2. Geen strafrechtelijke verantwoordelijkheid van het dier 285
  • Afdeling 3. Opportuniteiten en begrenzingen m.b.t. diergerelateerde strafbaarstellingen 287
  • I. Algemeen 287
  • II. Legaliteitsprincipe 288
  • III. Conceptuele autonomie van het strafrecht 293
  • Afdeling 4. De beoordeling van rechtvaardigingsgronden, schuldontheffingsgronden, gronden van niet-toerekeningsvatbaarheid en verschoningsgronden in het licht van het dier 295
  • I. Algemeen 295
  • II. Enkele rechtvaardigingsgronden geanalyseerd in het licht van het dier 296
  • Dieren - Recht en ethiek – 10 Inhoud A. Wettige verdediging 296
  • B. Noodtoestand 299
  • C. Gebod of toelating van de wet 301
  • D. Cultureel verweer 304
  • E. Pedagogische tik 305
  • III. Schuldontheffingsgronden 306
  • IV. Gronden van niet-toerekeningsvatbaarheid 309
  • V. Verschoningsgronden 309
  • Afdeling 5. Het dier als instrument van het misdrijf 310
  • Afdeling 6. De effectiviteit van de bestraffing bij diergerelateerde misdrijven 318
  • Afdeling 7. Besluit 324

Paginanummer

Nieuwe zoekopdracht

Generic filters
Uitleenbaar
Ja
Nee
Jaartal
Filter by Type
Monografie
Reeks
Tijdschrift